(fragment)
Ik
heb verschillende verledens met Grace, eigenlijk te
veel voor een leven. Soms lijkt het alsof er
meerdere Jennifers in mij wonen, ieder met een
eigen beeld van hun grote zus. Ze voelen zich
weemoedig, blij, gekoesterd en, hoe zal ik het
zeggen, onheus bejegend. Grace was een vrouw met
wie je paarden kon vangen, dat zullen ze allemaal
beamen. Angst was voor haar slechts een woord van
horen zeggen.
In een van mijn vroegste herinneringen sta ik in
een rouwkamer. Ik ben vijf, Grace acht. Het is
namiddag, op een benauwde dag in augustus. Het
gezicht van mijn moeder ligt onder glas. Er gonst
een vlieg door de ruimte. Ik volg hem. Hij gaat
even op de eikenhouten kist zitten, draalt, loopt
langs een nerf, vliegt dan de kamer uit. Ik hoor
weer de sonore brom van het koelapparaat onder het
geplooide bordeauxrode gordijntje van de kist. Ik
ril.
Ze draagt een witte zijden jurk, haar lippen zijn
bruinrood, haar lange gitzwarte haren liggen losjes
langs haar schouders. Mijn vader tilt de glazen
plaat op. Grace legt voorzichtig haar hand op mijn
moeders voorhoofd en geeft haar een kus. Ik kijk.
‘Toe maar,’ fluistert ze. ‘Toe maar.’ Aarzelend
raak ik mama’s wangen aan. Koud, als het ijzer van
mijn stapelbed. Ik streel haar lokken. Stug, als
van mijn Barbiepop. Het is haar gezicht niet meer,
ze ruikt ook een beetje raar.
In de kommen en dalen van mijn geheugen heb ik vaak
gezocht naar een gezonde moeder, een vrolijke
moeder, maar ik kom nooit voorbij haar laatste
dagen: de vrouw in het ziekenhuisbed met een bleek,
ingevallen gezicht, een zware adem en een ingeteerd
lichaam. De beelden van haar ziekbed zijn
flakkerend, als van een 8-mm-amateurfilmpje in
zwartwit. Ik kan niet meer precies nagaan waar de
scheidslijn ligt tussen mijn eigen herinneringen en
de verhalen van Grace en mijn vader, maar beladen
is die periode nooit geweest. Want mama was
ziek.
En als je ziek bent, word je beter. Mama ging
helemaal niet dood worden.
Elke dag hadden we haar bezocht, twee, drie maanden
lang. Ze lag in het Lidwina-ziekenhuis, tegenover
de watertoren, in de binnenstad van Den Helder. Ik
zat opgewekt achter op de brommer bij mijn vader;
Grace reed op haar rode kinderfietsje naast ons,
dapper pedalerend om de langzaam rijdende Solex bij
te houden. Op een wolkenloze zomerdag maakten we op
het grasveldje voor ons huis een krans van
gevlochten madeliefjes. Grace leerde mij met
engelengeduld hoe je de steeltjes aan elkaar
knoopte. We legden het sieraad in een donkerblauw
plastic juwelendoosje met roze watten. Ik mocht het
geven. Opgetogen en trots paradeerde ik door de
gangen van het ziekenhuis, tot we bij de zaal
kwamen. Mijn moeder zette de bloemenversiering
meteen op haar hoofd. Ze huilde. Omdat ze zo blij
was, zei ze. Ik wist niet dat dat kon. Later, veel
later, droomde ik dat we haar een krans van witte
rozen gaven. Ze huilde weer, maar dan met
straaltjes bloed langs haar slapen.
Op vrijdag na het bezoekuur reden we altijd naar de
dijk. Bij eb zochten Grace en ik tussen de
antracietgrijze basaltblokken en het ruisende,
schuimende zeewater naar alikruken, die we leegaten
met een speld. Meeuwen krijsten boven onze hoofden.
Mijn vader stond kaarsrecht langs de branding,
starend naar Engeland, een silhouet in scherp
zonlicht. De zee gleed over zijn schoenen, zonder
dat hij het merkte.
We hadden een hulp in de huishouding, mevrouw
Schwarz, een kordate, doenerige Duitse vrouw met
een hoekig gezicht en waterige blauwe ogen, alsof
ze de dochter van Frankenstein was. Ze maakte vaak
tomatensoep met balletjes, voor als we terugkwamen
van het ziekenhuis. Op zaterdagen bakte mijn vader
patat. Dan scheurde hij pagina’s van de Avro-bode
af en draaide die tot een puntzak. Scheelde weer in
de afwas. We mochten opblijven om naar Een van de
Acht kijken, met Mies Bouwman.
Licht uit, spot aan.
Dan zat mijn vader in zijn stoel, rolde een
sjekkie, stak hem aan met zijn zilveren Zippo en
nam schijnbaar achteloze trekjes.
Omgaan met emoties, hevige gevoelens — het was niet
zijn forte. Eén keer had hij zich laten gaan. Toen
de kat van Grace stierf. Ze had hem begraven in een
hoekje in de achtertuin, onder een paar bloeiende
witte hortensia’s. Ze was zes en ontroostbaar. Een
paar weken later hoorde ze op school van Jezus’
wederopstanding.
Wat hij kan, kan Siepie
ook.
Dezelfde middag groef ze hem op. Nog voordat het
kattenlijk zichtbaar was, zwermden er al vliegen
omheen. Ik durfde niet te kijken, want alleen al de
kadaverlucht maakte me misselijk. Toen pa later op
de middag thuiskwam, was hij boos en geschokt. We
wisten dat hij onderofficier was geweest in
Nederlands-Indië, over zijn ervaringen had hij
altijd gezwegen, maar in zijn emotionele drift
begon hij opeens te vertellen over dode soldaten
die dagenlang in de tropische hitte hadden liggen
rotten, en hoe gevaarlijk het was geweest om die
lichamen te ruimen vanwege lijkvergiftiging. Na die
oprisping waren zijn oorlogsjaren weer met stilte
omgeven.
Het is woensdagmiddag. Ik ben vrij en zie de witte
Kever van mijn opa en oma in de straat staan.
Enthousiast ren ik naar huis, open de deur met een
woeste ruk aan het touwtje door de brievenbus,
vlieg de kamer binnen en bots op een muur van
stilzwijgen. Mijn vader staat in de keuken. Oma en
opa zitten stijfjes op de bank. Oma’s ogen zijn
rood en vochtig, opa probeert naar me te
glimlachen. De hangklok tikt. Grace pakt mijn arm
en voert me mee naar de ouderlijke slaapkamer. Ik
zit verdoofd op het grote bed, op de mintgroene
sprei. Ze kijkt me droevig aan.
‘Mama?’ piep ik.
Ze knikt.
Op dat moment tuimelde ik uit de hemel. Ik had er
nog nooit van gehoord, maar het schijnt een vaste
uitdrukking te zijn: een kind valt uit de hemel als
hij beseft dat het leven eindig is. Die avond
begonnen de vragen, de vragen die ik mijn hele
leven zou blijven stellen.